
In een eerdere blog (De toetsing van btw-boetes aan artikel 6 EVRM: het Hof van Cassatie wijzigt zijn rechtspraak) werd ingegaan op de evolutie in de cassatierechtspraak over de rechterlijke toetsing van btw boetes aan het evenredigheidsbeginsel, zoals dat voortvloeit uit artikel 6 EVRM.
Het Hof van Cassatie oordeelde toen dat een rechter een btw boete slechts onder het wettelijk minimum kan reduceren op grond van artikel 6 EVRM, indien de belastingplichtige voorafgaand een verzoek tot kwijtschelding (genadeverzoek) heeft ingediend bij de minister van Financiën.
In zijn arrest van 12 februari 2026 (F.24.0026.N) stelt het Hof van Cassatie daarentegen dat een proportionele vermindering van btw boetes toch mogelijk is, zij het niet op grond van artikel 6 EVRM, maar op basis van het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel, zoals vervat in artikel 49 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
Het Hof van Cassatie herhaalt in dit arrest haar uitgangspunt dat het recht op toegang tot de rechter en het vereiste van een rechter met “volle rechtsmacht” in de zin van artikel 6, lid 1 EVRM niet automatisch impliceert dat de rechter een administratieve geldboete met repressief karakter kan verminderen onder het wettelijk minimum.
Volgens het Hof is aan het vereiste van volle rechtsmacht voldaan wanneer de rechter alles kan toetsen wat onder de beoordelingsbevoegdheid van de administratie valt. Vanuit dit EVRM perspectief blijft de wettelijke boeteschaal dan ook in beginsel het uitgangspunt, aangezien de administratie gebonden is door de wettelijke boeteschalen.
Hoewel dit niet uitdrukkelijk wordt herbevestigd, kan aangenomen worden dat het Hof van Cassatie met deze redenering haar standpunt handhaaft dat de reductie van de geldboete tot onder de wettelijke minimumtarieven nog steeds mogelijk blijft, op voorwaarde dat de belastingplichtige vooraf een verzoek tot kwijtschelding bij de minister van Financiën heeft ingediend.
Het arrest beperkt zich echter niet tot deze vaststelling. Het Hof benadrukt dat btw boetes uitvoering geven aan het Unierecht in de zin van artikel 49 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Bijgevolg moeten zij ook worden getoetst aan het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel, zoals ontwikkeld in de rechtspraak van het Hof van Justitie.
Daaruit volgt dat sancties enerzijds geschikt moeten zijn om de juiste heffing van de btw te waarborgen en fraude te voorkomen. Anderzijds mogen zij niet verder gaan dan noodzakelijk is, rekening houdend met de aard en de ernst van de inbreuk, evenals met de concrete omstandigheden van het dossier.
Op basis van deze rechtspraak bevestigt het Hof van Cassatie uitdrukkelijk dat de rechter een proportionele btw boetes kan verminderen tot onder de wettelijk vastgelegde boetetarieven, wanneer dat vereist is door het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel.
In het voorliggende geval hadden de appelrechters geoordeeld dat, gelet op de aard van de inbreuk en het gedrag van de belastingplichtige, geen aanleiding bestond om de opgelegde boete van 20% te verminderen. Het Hof van Cassatie laat deze beoordeling overeind en verwerpt het cassatieberoep.
Belangrijk is evenwel dat het Hof daarbij niet terugkomt op het principiële uitgangspunt dat de rechter wel degelijk beschikt over de bevoegdheid om btw boetes onder het wettelijk minimum te brengen, maar dat deze bevoegdheid moet worden uitgeoefend binnen het kader van een concrete en gemotiveerde evenredigheidstoets.
Het arrest van 12 februari 2026, samen gelezen met het arrest van 25 april 2025, leidt tot de volgende conclusies:
• Artikel 6 EVRM laat het een rechter niet toe om btw boetes naar evenredigheid te reduceren zonder voorafgaand verzoek tot kwijtschelding bij de minister van Financiën;
• Het unierechtelijke evenredigheidsbeginsel (artikel 49 van het Handvest van de grondrechten) kan een dergelijke vermindering wél verantwoorden bij btw boetes.
Voor de praktijk bevestigt deze rechtspraak dat de wettelijke boeteschalen inzake btw niet absoluut zijn. Waar een beperkte rechterlijke toetsing tot onbillijke situaties kon leiden, biedt deze evolutie de rechter opnieuw ruimte om een evenredige sanctie te bepalen in functie van de concrete omstandigheden van elk individueel dossier.
